99993807

Vendu
Bernardus Dwinglo - Aenspraecke van Bernardvs Dvinglo, aen de remonstrans-gesinde ghemeynte ende borgherije der stadt - 1620
Offre finale
€ 51
Il y a 4 jours

Bernardus Dwinglo - Aenspraecke van Bernardvs Dvinglo, aen de remonstrans-gesinde ghemeynte ende borgherije der stadt - 1620

Bernardus Dwinglo : Aenspraecke van Bernardvs Dvinglo, aen de remonstrans-gesinde ghemeynte ende borgherije der stadt Leyden, over het ontset der selfder stede, gedaen op den 3. octobris 1620. Dienende tot onderwijsinghe, vermaninghe, ende vertroostinge der selfder, ende alle andere gemeynten int Nederlant, die om de belijdenisse der waerheyt vervolcht werden. Gedruckt inden Jare ons Heeren / 1620. 4o: 48 p. ongepagineerd. Marmerpapieren omslag in kleur. Laatste 2 bladen iets gerafeld in de marge. Papier heeft wat oude vochtkringen. ** Bernardus Dwinglo. Van zijn geboortejaar en zijne ouders schijnt voor alsnog niets bekend te zijn. Waarschijnlijk werd hij in Delft geboren. Daar althans woonde zijn vader in 1620, wiens huis toen werd doorzocht in de hoop er den zoon te vinden. Hij wijdde zich als jongeling aan de godgeleerdheid en volbragt zijne studiën te Leiden, waar hij zich vooral aan Arminius aansloot. In 1608 werd hij predikant te Berkel. Te Leiden, waar men tot verdraagzaamheid neigde, werd hij in Junij 1615, nevens den Contra-Remonstrant Hermannus Cuchlinus van Edam, een zwager van Hommius, als Remonstrant beroepen. Als zoodanig was hij reeds bekend door de medeonderteekening der Remonstrantie van 1610. De bekende Festus Hommius schreef en onderteekende zijn beroepsbrief. Als predikant te Leiden betoonde Dwinglo zich een ijverig voorstander zijner partij, en stelde hij twist- en verdedigingsschriften tegen Smout, Trigland en andere hevige Contra-Remonstranten. Toen de vooruitzigten voor de zijnen al donkerder werden, ging hij met Episcopius en van den Borre (7 Aug. 1618) naar Oldenbarnevelt, die echter weinig raad en hoop kon geven. Zijne positie werd nog moeijelijker sedert de regering te Leiden was veranderd (23 Oct. 1618). Hij onderteekende mede de vertogen der Remonstranten, over het houden der Synode in 1618 bij de Staten ingediend, en nam deel aan de Remonstrantsche Vergadering van den 11den November te Leiden. Dwinglo geciteerd voor de Dordsche Synode. Hij verscheen en stond de anderen, inzonderheid Episcopius, trouw ter zijde in de verdediging hunner zaak. In de 25ste zitting (10 Dec. 1618) las hij het protest der geciteerden voor. Hij onderteekende mede de bedenkingen der Heidelbergsche Catechismus, die in de 39ste zitting werd overgeleverd. Tijdens zijn verblijf te Dordrecht zond hij met Corvinus een vertoog aan den Magistraat van Leiden, om vrijheid voor de broederen te verkrijgen, tot het houden hunner vergaderingen. Op den 2den Paaschdag (1 April 1619) predikte hij voor de Remonstranten te Dordrecht en doopte tevens een kind van Sapma, waarbij Episcopius en Poppius getuigen waren. Door de Synode veroordeeld beklaagde hij zich in brieven over de onregtvaardige handelwijze der tegenpartij, en later in verschillende geschriften, die voor de kennis van het op de Synode verhandelde van veel belang zijn. Met de andere veroordeelden werd hij den 6den Julij naar Waalwijk vervoerd. Volgens de bekende spotprent: d' Arminiaensche uytvaert, zat hij met Pijnakker, Corvinus en Sapma op de tweede wagen. Van de eerste vergadering der gebannenen te Waalwijk was hij Scriba. Spoedig keerde hij heimelijk in het vaderland terug om de broederen te dienen. Dit kon echter niet dan met groot gevaar geschieden. Den 29sten December te Leiden predikende ontkwam hij met groote moeite aan de handen van den ijverigen Schout Mr. Willem de Bont, aan wien hij door een Gentenaar, den bekenden verklikker Jacques de Hecke, was verraden. Opzettelijk stelde hij een vlugschrift om alle Remonstranten voor dien verspieder te waarschuwen. Was het hem weinig vergund de gemeente te Leiden te kunnen bezoeken, in het volgende jaar sprak hij haar schriftelijk toe op den gedenkdag van Leidens ontzet. Ofschoon hij in 1621 niet tot Directeur was verkozen, omdat men zijne weigering vreesde, zoo was hij de directie toch in alles behulpzaam en gedroeg hij zich wakker voor de broederen. Nadat het reeds tweemaal was mislukt wist hij in Julij 1621, met behulp van Blansaert en Parthy, Welsing uit de gevangenis te 's Hage te verlossen. Terwijl hij vaak op onderscheidene plaatsen predikte werden er vele pogingen aangewend om hem in handen te krijgen. Zoo ontkwam hij in Julij 1622 ter naauwernood te Haarlem, waar hij zich in 't geheim bij zijne vrouw bevond, en al zijne boeken en papieren in beslag werden genomen. Toen in 1623 de noodlottige zamenzwering tegen Maurits werd gesmeed, trachtten zijn zwager David Coorenwinder en Willem van Oldenbarnevelt, Heer van Stoutenburg, hem voor zich te winnen. Dwinglo was echter van alle maatregelen van verzet of oproer ten eenemale afkeerig. Van de plannen der zamenzweerders werd hem dan ook niet de minste opening gedaan, en hij was alzoo niet in staat om den bedreigden vorst te waarschuwen. Ten onregle wordt hem door den Heer Glasius eenige nalatigheid in deze zaak als misdrijf aangerekend. Doch hoewel onkundig van alles en onschuldig, werd er toch tegen hem, als zijnde in de zaak betrokken geweest, door het hof van Holland eene publicatie uitgevaardigd (11 April 1623), waarbij, behalve de 500 gulden op iederen predikant gesteld, nog 500 gulden werden uitgeloofd aan ieder die hem levend zou vangen. Dwinglo nam hierop de vlugt; schreef den 30sten October eene korte verklaring zijner onschuld, waarin hij zegt: ‘dat van de conspiratie (hem) noyt de alderminste openinge van iemant ter werelt, door woorden, brieven, teikenen, oft eenigh ander middel en is gedaen, nochte eenigh het minste vermoeden oft nadenken van sulks bij (hem) is geweest,’ en deed in het volgend jaar eene breedvoerige verantwoording in het licht verschijnen. Na eenigen tijd in Antwerpen vertoefd te hebben ging Dwinglo naar Holstein. In Mei 1630 poogden de Directeuren hem als predikant te Frederikstadt te vestigen; dit mislukte evenwel, omdat de Stadhouder niet tot hem en hij tot het beroep niet gezind was. De Koning van Denemarken had intusschen vroeger aan de Remonstranten in Glüekstadt en Staden vrije uitoefening van godsdienst aangeboden, en daar in eerstgenoemde stad zich velen zijner geloofsgenooten bevonden, begaf Dwinglo zich derwaarts en bleef er van 1631-1637. Toen keerde hij, met eene loffelijke getuigenis van de regering dier stad, naar zijn vaderland terug, zette zich gerust te Haarlem neder en verzocht aan de Societeit vrijdom van huishuur. Algemeen geacht, en door niemand ooit vervolgd als deelgenoot aan de beruchte conspiratie, leefde hij hier rustig tot zijnen dood. Naar het schijnt heeft hij nog enkele malen den kansel beklommen. In 1650 verzocht de Vergadering der Broederschap hem Ryckewaerts vervolg op Uytenbogaerts Kerckelycke historie voort te zetten. Zijn sterfjaar is nog onbekend. Eenigen tijd vóór 1660 schijnt hij reeds niet meer in leven geweest te zijn. Hij beoefende de latijnsche dichtkunst blijkens een door hem vervaardigd Latijnsch gedicht ter eere van Episcopius, hetwelk gedrukt voorhanden is op de boekerij der Broederschap te Amsterdam,

99993807

Vendu
Bernardus Dwinglo - Aenspraecke van Bernardvs Dvinglo, aen de remonstrans-gesinde ghemeynte ende borgherije der stadt - 1620

Bernardus Dwinglo - Aenspraecke van Bernardvs Dvinglo, aen de remonstrans-gesinde ghemeynte ende borgherije der stadt - 1620

Bernardus Dwinglo : Aenspraecke van Bernardvs Dvinglo, aen de remonstrans-gesinde ghemeynte ende borgherije der stadt Leyden, over het ontset der selfder stede, gedaen op den 3. octobris 1620. Dienende tot onderwijsinghe, vermaninghe, ende vertroostinge der selfder, ende alle andere gemeynten int Nederlant, die om de belijdenisse der waerheyt vervolcht werden. Gedruckt inden Jare ons Heeren / 1620. 4o: 48 p. ongepagineerd. Marmerpapieren omslag in kleur. Laatste 2 bladen iets gerafeld in de marge. Papier heeft wat oude vochtkringen.

** Bernardus Dwinglo. Van zijn geboortejaar en zijne ouders schijnt voor alsnog niets bekend te zijn. Waarschijnlijk werd hij in Delft geboren. Daar althans woonde zijn vader in 1620, wiens huis toen werd doorzocht in de hoop er den zoon te vinden. Hij wijdde zich als jongeling aan de godgeleerdheid en volbragt zijne studiën te Leiden, waar hij zich vooral aan Arminius aansloot. In 1608 werd hij predikant te Berkel. Te Leiden, waar men tot verdraagzaamheid neigde, werd hij in Junij 1615, nevens den Contra-Remonstrant Hermannus Cuchlinus van Edam, een zwager van Hommius, als Remonstrant beroepen. Als zoodanig was hij reeds bekend door de medeonderteekening der Remonstrantie van 1610. De bekende Festus Hommius schreef en onderteekende zijn beroepsbrief. Als predikant te Leiden betoonde Dwinglo zich een ijverig voorstander zijner partij, en stelde hij twist- en verdedigingsschriften tegen Smout, Trigland en andere hevige Contra-Remonstranten. Toen de vooruitzigten voor de zijnen al donkerder werden, ging hij met Episcopius en van den Borre (7 Aug. 1618) naar Oldenbarnevelt, die echter weinig raad en hoop kon geven. Zijne positie werd nog moeijelijker sedert de regering te Leiden was veranderd (23 Oct. 1618). Hij onderteekende mede de vertogen der Remonstranten, over het houden der Synode in 1618 bij de Staten ingediend, en nam deel aan de Remonstrantsche Vergadering van den 11den November te Leiden.
Dwinglo geciteerd voor de Dordsche Synode. Hij verscheen en stond de anderen, inzonderheid Episcopius, trouw ter zijde in de verdediging hunner zaak. In de 25ste zitting (10 Dec. 1618) las hij het protest der geciteerden voor. Hij onderteekende mede de bedenkingen der Heidelbergsche Catechismus, die in de 39ste zitting werd overgeleverd. Tijdens zijn verblijf te Dordrecht zond hij met Corvinus een vertoog aan den Magistraat van Leiden, om vrijheid voor de broederen te verkrijgen, tot het houden hunner vergaderingen. Op den 2den Paaschdag (1 April 1619) predikte hij voor de Remonstranten te Dordrecht en doopte tevens een kind van Sapma, waarbij Episcopius en Poppius getuigen waren.
Door de Synode veroordeeld beklaagde hij zich in brieven over de onregtvaardige handelwijze der tegenpartij, en later in verschillende geschriften, die voor de kennis van het op de Synode verhandelde van veel belang zijn. Met de andere veroordeelden werd hij den 6den Julij naar Waalwijk vervoerd. Volgens de bekende spotprent: d' Arminiaensche uytvaert, zat hij met Pijnakker, Corvinus en Sapma op de tweede wagen. Van de eerste vergadering der gebannenen te Waalwijk was hij Scriba. Spoedig keerde hij heimelijk in het vaderland terug om de broederen te dienen. Dit kon echter niet dan met groot gevaar geschieden. Den 29sten December te Leiden predikende ontkwam hij met groote moeite aan de handen van den ijverigen Schout Mr. Willem de Bont, aan wien hij door een Gentenaar, den bekenden verklikker Jacques de Hecke, was verraden. Opzettelijk stelde hij een vlugschrift om alle Remonstranten voor dien verspieder te waarschuwen. Was het hem weinig vergund de gemeente te Leiden te kunnen bezoeken, in het volgende jaar sprak hij haar schriftelijk toe op den gedenkdag van Leidens ontzet. Ofschoon hij in 1621 niet tot Directeur was verkozen, omdat men zijne weigering vreesde, zoo was hij de directie toch in alles behulpzaam en gedroeg hij zich wakker voor de broederen. Nadat het reeds tweemaal was mislukt wist hij in Julij 1621, met behulp van Blansaert en Parthy, Welsing uit de gevangenis te 's Hage te verlossen. Terwijl hij vaak op onderscheidene plaatsen predikte werden er vele pogingen aangewend om hem in handen te krijgen. Zoo ontkwam hij in Julij 1622 ter naauwernood te Haarlem, waar hij zich in 't geheim bij zijne vrouw bevond, en al zijne boeken en papieren in beslag werden genomen.
Toen in 1623 de noodlottige zamenzwering tegen Maurits werd gesmeed, trachtten zijn zwager David Coorenwinder en Willem van Oldenbarnevelt, Heer van Stoutenburg, hem voor zich te winnen. Dwinglo was echter van alle maatregelen van verzet of oproer ten eenemale afkeerig. Van de plannen der zamenzweerders werd hem dan ook niet de minste opening gedaan, en hij was alzoo niet in staat om den bedreigden vorst te waarschuwen. Ten onregle wordt hem door den Heer Glasius eenige nalatigheid in deze zaak als misdrijf aangerekend. Doch hoewel onkundig van alles en onschuldig, werd er toch tegen hem, als zijnde in de zaak betrokken geweest, door het hof van Holland eene publicatie uitgevaardigd (11 April 1623), waarbij, behalve de 500 gulden op iederen predikant gesteld, nog 500 gulden werden uitgeloofd aan ieder die hem levend zou vangen. Dwinglo nam hierop de vlugt; schreef den 30sten October eene korte verklaring zijner onschuld, waarin hij zegt: ‘dat van de conspiratie (hem) noyt de alderminste openinge van iemant ter werelt, door woorden, brieven, teikenen, oft eenigh ander middel en is gedaen, nochte eenigh het minste vermoeden oft nadenken van sulks bij (hem) is geweest,’ en deed in het volgend jaar eene breedvoerige verantwoording in het licht verschijnen.
Na eenigen tijd in Antwerpen vertoefd te hebben ging Dwinglo naar Holstein. In Mei 1630 poogden de Directeuren hem als predikant te Frederikstadt te vestigen; dit mislukte evenwel, omdat de Stadhouder niet tot hem en hij tot het beroep niet gezind was. De Koning van Denemarken had intusschen vroeger aan de Remonstranten in Glüekstadt en Staden vrije uitoefening van godsdienst aangeboden, en daar in eerstgenoemde stad zich velen zijner geloofsgenooten bevonden, begaf Dwinglo zich derwaarts en bleef er van 1631-1637. Toen keerde hij, met eene loffelijke getuigenis van de regering dier stad, naar zijn vaderland terug, zette zich gerust te Haarlem neder en verzocht aan de Societeit vrijdom van huishuur. Algemeen geacht, en door niemand ooit vervolgd als deelgenoot aan de beruchte conspiratie, leefde hij hier rustig tot zijnen dood. Naar het schijnt heeft hij nog enkele malen den kansel beklommen. In 1650 verzocht de Vergadering der Broederschap hem Ryckewaerts vervolg op Uytenbogaerts Kerckelycke historie voort te zetten. Zijn sterfjaar is nog onbekend. Eenigen tijd vóór 1660 schijnt hij reeds niet meer in leven geweest te zijn. Hij beoefende de latijnsche dichtkunst blijkens een door hem vervaardigd Latijnsch gedicht ter eere van Episcopius, hetwelk gedrukt voorhanden is op de boekerij der Broederschap te Amsterdam,

Objets similaires

Pour vous

Livres

Définir une alerte de recherche
Définissez une alerte de recherche pour être informé lorsque de nouveaux objets correspondant à votre recherche sont disponibles.

Cet objet a été présenté dans

                                        
                                                                                                    
                    
                                        
                                                                                                    
                    
                                        
                                                                                                    
                    
                                        
                                                                                                    
                    

Comment acheter sur Catawiki ?

En savoir plus sur notre Protection des acheteurs

      1. Découvrez des objets d’exception

      Découvrez des milliers d'objets d'exception sélectionnés par nos experts. Consultez les photos, les informations détaillées et la valeur estimée de chaque objet d'exception. 

      2. Faites la meilleure offre

      Trouvez l’objet de vos rêves et faites l’offre la plus élevée. Vous pouvez suivre la vente jusqu'à sa clôture ou laisser notre système faire les offres à votre place. Il vous suffit de fixer une enchère maximale correspondant au montant que vous souhaitez payer. 

      3. Effectuez un paiement sécurisé

      Réglez votre objet d'exception et nous garderons votre paiement en toute sécurité jusqu’à ce que vous ayez bien reçu votre objet d’exception. Toutes les transactions sont effectuées par un système de paiement de confiance. 

Vous souhaitez vendre un objet similaire ?

Que vous débutiez dans les ventes en ligne ou que vous soyez vendeur professionnel, nous pouvons vous aider à gagner plus d'argent pour vos objets d'exception.

Vendez votre objet