G. Stewechius - De Re Militari libros - 1606

14
dagen
00
uren
42
minuten
32
seconden
Huidig bod
€ 1
Zonder minimumprijs
Volker Riepenhausen
Expert
Geselecteerd door Volker Riepenhausen

Specialist in reis-literatuur en pre-1600 zeldzame drukken met 28 jaar ervaring.

Geschatte waarde  € 1.000 - € 1.500
IT
€ 1

Catawiki Kopersbescherming

Je betaling is veilig bij ons totdat je het object hebt ontvangen.Bekijk details

Trustpilot 4.4 | 143727 reviews

Beoordeeld als "Uitstekend" op Trustpilot.

G. Stewechius, De Re Militari libros, geïllustreerde editie uit 1606, Latijns, 250 pagina's, los gebonden, uitgegeven door Ex Officina Plantiniana, in goede staat.

AI-gegenereerde samenvatting

Beschrijving van de verkoper

GODESCHALCI STEWECHII COMMENTARIUS AD FLAVII VEGETII RENATI DE RE MILITARI LIBROS
''L’eredità dell’arte militare romana tra umanesimo, filologia e cultura europea''

Un’opera di straordinario interesse storico e bibliografico, nella quale il sapere militare dell’antica Roma viene restituito alla cultura europea attraverso la ricerca erudita, il commento filologico e la forza evocativa delle incisioni.

## 1. Een boek dat de eeuwen doorkruist

Er bestaan boeken die het geheugen van een tijdperk bewaren en boeken die, naast die herinnering, getuigen van het vermogen van menselijke kennis om de eeuwen te overstijgen, zich te transformeren en ook generaties ver verderop nog te beïnvloeden. Het hier gepresenteerde volume behoort tot deze tweede categorie: het is een belangrijke getuigenis van de wijding van de oude Romeinse militaire cultuur in Europa tussen de zestiende en zeventiende eeuw, toen het terugvinden van klassieke teksten een van de fundamenten van de humanistische cultuur vormde.

Het titelblad voert de titel *Godeschalci Stewechii Commentarius ad Flavii Vegetii Renati de re militari libros*, te vertalen als *Commentaar van Godescalco Stewechio op de boeken van Flavius Vegetius Renatus over de krijgskunde*. Het exemplaar behoort tot een editoriële traditie verbonden met de beroemde Plantijnse drukwerkplaats van Leiden, geassocieerd met de familie Raphelengius. De bibliografie van de Bibliothèque nationale de France documenteert een editie van het commentaar uit 1606, ingebed in een bredere verzameling van oude militaire geschriften die tussen 1606 en 1607 werd gepubliceerd.

Deze opmerking is belangrijk: we bevinden ons niet simpelweg voor een verhandeling over strategie, maar voor een erudiet werk dat de antieke Romeinse traditie in dialoog brengt met de intellectuele en militaire noden van het moderne Europa. De waarde ligt zowel in de oude tekst die wordt doorgegeven als in de studie, vergelijking en interpretatie die door de humanisten werden gedaan en die het terug brachten naar het hart van de Europese cultuur.

## 2. Flavius Vegetius Renatus: het militaire denken van het oude Rome

In het midden van het volume bevindt zich de figuur van Flavius Vegetius Renatus, een late antieke auteur traditioneel geplaatst tussen het einde van de vierde en de vijfde eeuw na Christus. Zijn werk, bekend als het *Epitoma rei militaris* en ook aangeduid met de titel *De re militari*, vertegenwoordigt een van de invloedrijkste teksten in de geschiedenis van de westerse oorlogsdenkers.

Vegetius schrijft in een tijd van diepe transformatie van het Romeinse Rijk. De politieke en bestuurlijke structuren die eeuwenlang de macht van Rome hadden ondersteund, ondergingen toenemende moeilijkheden; de grenzen ondervonden militaire druk en de organisatie van het leger vereiste voortdurende aanpassingen. In dit kader keek de auteur naar de Romeinse militaire traditie als een erfenis van kennis waaruit principes konden worden afgeleid die discipline, voorbereiding en organisatorisch vermogen herwinnen.

Zijn overweging beperkt zich niet tot de beschrijving van veldslagen. Integendeel, hij kent een essentiële rol toe aan training, de selectie van soldaten, fysieke paraatheid, kennis van het terrein, collectieve discipline en de voorzichtigheid van de bevelvoerder. Overwinning is, in zijn visie, niet het toevallige resultaat van individueel moedig handelen, maar het gevolg van een methodische organisatie en constante voorbereiding.

Aan dit uitgangspunt ligt een van de bekendste principes van de vegeziaanse traditie: *Si vis pacem, para bellum*, oftewel «Als je de vrede wilt, bereid de oorlog voor». De formule, in de loop der eeuwen een politiek en strategisch spreekwoord geworden, vat een opvatting samen waarin het vermogen zich te verdedigen en militaire paraatheid instrumenten van veiligheid en afschrikking vormen.

Het is echter toepasselijk te herinneren dat het traktaat van Vegetius geen direct verslag is van een individuele militaire campagne, noch een handleiding geschreven door een generaal die uitsluitend zijn eigen veldervaring beschrijft. Het is veeleer een weloverwogen synthese van de Romeinse militaire traditie, opgebouwd met didactische en hervormende doeleinden.

Zijn kracht ligt precies in deze ambitie: los van toevallige omstandigheden de principes van voorbereiding, discipline en organisatie identificeren die van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven.

## 3. Godescalco Stewechio: de eruditie ten dienste van de geschiedenis

De tweede grote protagonist van het werk is Godescalco Stewechio, in hetLatijn Godescalcus Stewechius, een geleerde en humanist actief in de zestiende eeuw. Zijn naam is verbonden aan de herontdekking en de kritische publicatie van teksten uit de oudheid, met name van die gewijd aan de militaire geschiedenis en de Romeinse instituties.

Zijn activiteit maakt deel uit van de grote renaissance-eruditieperiode, waarin kennis van de antieke wereld niet langer uitsluitend afhankelijk was van het lezen van bewaarde teksten, maar een systematische vergelijking tussen handschriften, edities, literaire getuigenissen en historische bronnen vereiste.

De commentaar van Stewechio vervult precies deze functie: het begeleidt Vegetius’ tekst, verduidelijkt passages, bespreekt de woordkeuze en draagt bij aan de herplaatsing ervan binnen het kader van de Romeinse militaire cultuur. Het oud-duurt niet als een object van verering, maar als een erfgoed dat bevraagd, uitgelegd en opnieuw begrijpelijk gemaakt moet worden.

Deze benadering onthult een fundamenteel kenmerk van het Europees humanisme: de overtuiging dat het verleden kan worden begrepen door streng bronnenonderzoek en dat kennis van de geschiedenis een essentieel instrument is om het heden te interpreteren.

Stewechio behoort tot een generatie geleerden voor wie Latijn nog steeds een internationale taal van cultuur, diplomatie, theologie en wetenschap was. Door het Latijn konden Oudheidse werken circuleren tussen universiteiten, bibliotheken, hoven en erudiete kringen van verschillende landen, waarmee taal- en politieke grenzen werden overschreden.

Zijn commentaar vormt dus een intellectueel bruggenhoofd: enerzijds de militaire ervaring van het oude Rome, anderzijds Europa moderne, die zich inzet om de erfenis van de klassieken te begrijpen, te classificeren en te herinterpreteren.

## 4. De Plantijnse Werkplaats en het Grote Tijdperk van de Erudiete Drukkunst

De geschiedenis van dit volume is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de Europese drukkunst. Het frontispiece roept de *Officina Plantiniana Raphelengii* op, een uitdrukking die verwijst naar de typografische traditie die begon bij Christophe Plantin in Antwerpen en werd voortgezet door zijn familie en opvolgers.

Plantin was een van de belangrijkste spelers in de Europese uitgeverij van de zestiende eeuw. Zijn onderneming verwierf roem door de organisatie van het drukproces, de kwaliteit van de edities en het vermogen om werken te publiceren bestemd voor een internationaal publiek. Na zijn dood in 1589 werd de uitgeverspraktijk voortgezet door zijn nakomelingen en erfgenamen.

Franciscus Raphelengius, ook wel Frans van Ravellingen genoemd, was via het huwelijk met een van Plantins dochters aan de Plantijn-familie verbonden. Taalkundige en drukker, droeg hij bij aan de verspreiding van erudiete teksten en breuken. De Plantijnse Werkplaats van Leiden werd een belangrijk centrum van boekproductie in de context van de Verenigde Provinciën.

De aanwezigheid van de naam Raphelengius op het frontispice plaatst het volume dus in een netwerk van primair belang. De publicatie van oude militaire teksten vereiste immers vaardigheden die verder gingen dan eenvoudige typografische samenstelling: geleerden waren nodig die tekst konden verzorgen, lectuur konden vergelijken, verwijzingen konden verifiëren en een adequate interpretatieve apparatuur konden voorbereiden.

De editie van het commentaar uit 1606 valt bovendien in een cruciaal moment in de Europese geschiedenis. Het continent werd geteisterd door confessionele conflicten en dynastische rivaliteiten; de Tachtigjarige Oorlog tussen de Spaanse monarchie en de Verenigde Provinciën was nog gaande, terwijl moderne oorlogvoering stap voor stap de organisatie van legers en gevechtstechnieken veranderde.

In zo’n scenario maakte het terugvinden van de oudheid in militaire schrijfsels geen louter antiquariaat-gedoe uit. Het maakte deel uit van een bredere reflectie op de aard van oorlog, de autoriteit van bevelhebbers en de voorwaarden waaronder een staat zijn veiligheid kan waarborgen.

## 5. Een bibliotheek van oude auteurs: Vegetius, Frontinus en de Romeinse militaire traditie

Het commentaar behoort tot een bredere editoriële traditie, waarin het tekst van Vegetius wordt naastgezet naast andere oudheidsschrijvers die geïnteresseerd waren in oorlog, discipline en staatsorganisatie.

Onder hen springt Sesto Giulio Frontino uit, auteur van de *Strategemata*, een verzameling voorbeelden en militaire slinksheden toegeschreven aan Griekse en Romeinse commandanten. Frontinus, levend in de eerste eeuw na Christus, was ook een belangrijke Romeinse functionaris en auteur van de verhandeling over de aquaducten van de stad Rome.

Het naast elkaar plaatsen van Vegetius en Frontinus betekent twee complementaire perspectieven op elkaar betrekken. Vegetius legt de nadruk op de fundamenten van militaire organisatie, voorbereiding en discipline; Frontinus verzamelt eerder concrete voorbeelden van sluwheid, besluitvaardigheid en vindingrijkheid die commandanten onder moeilijke omstandigheden gebruikten.

In de strategische traditie die door deze teksten wordt opgeroepen, hangt succes niet uitsluitend af van numerieke kracht. Het gaat om de kennis van de vijand, het benutten van het terrein, de controle over communicaties, de bevoorrading, de snelheid van besluitvorming en het vermogen om de tegenstander te verrassen.

Deze visie kan gekoppeld worden aan de ervaringen van grote figuren uit de Romeinse geschiedenis. Julius Caesar benadrukte in zijn commentaren over de Gallische campagnes herhaaldelijk het belang van militaire engineering, logistiek en operationele snelheid. Scipio Africanus toonde in de oorlog tegen Carthago aan hoe beslissend strategische aanpassingsvermogen en het leren van de vijandige tactieken waren. De Romeinse overwinning in Zama in 202 v.Chr. markeerde het einde van de Tweede Punische Oorlog en de opkomst van Rome als dominante macht in de western Mediterranean.

Ook de figuur van Hannibal Barca, de grote Carthaagse commandant die de Alpen doorkruiste in 218 v.Chr., vormt een paradigmatisch voorbeeld van het belang van strategie, verrassing en verstandig gebruik van hulpbronnen. Zijn overwinning bij Canæ in 216 v.Chr. is door de eeuwen heen een casestudy gebleven over manoeuvres en omsingeling.

Deze verbindingen betekenen niet dat elk incident direct door Stewechio werd gecommentarieerd of geïllustreerd in de houtsneden van het volume. Ze dienen eerder om de historische en intellectuele wereld te verduidelijken waarin de Romeinse militaire literatuur werd gelezen, bestudeerd en geïnterpreteerd.

## 6. De houtsneden: beelden van militaire kennis en herinnering aan de oudheid

Een van de meest indringende aspecten van het volume is de aanwezigheid van houtsneden, een gravuretechniek waarbij een afbeelding uit een houten matrix wordt gegraveerd en op papier wordt overgebracht door druk.

Houtsnijden kende een lange Europese traditie en speelde een fundamentele rol in de verspreiding van kennis tijdens de Renaissance. Vergeleken met geschilderde beelden of miniaturen in manuscripten konden afdrukken uit matrices in meerdere exemplaren worden gereproduceerd en samen met de tekst worden verspreid, waardoor een breder publiek visuele representaties van voorwerpen, instrumenten, architectuur en historische taferelen kon benaderen.

In de context van een militair traktaat vervulde de afbeelding een bijzonder belangrijke functie. De krijgsgeschiedenis omvatte belegeringsmachines, verdedigingswerken, structurele defensie en operationele technieken die moeilijk te begrijpen waren enkel via verbale beschrijving. Een gegraveerde voorstelling stelde de lezer in staat ten minste enkele elementen van die wereld te visualiseren en de geschreven uitleg te koppelen aan een concrete vorm.

De houtsneden met militair onderwerp moeten echter met aandacht worden geïnterpreteerd. Ze zijn niet noodzakelijk fotorealistisch weergegeven van de Romeinse werkelijkheid en vormen niet altijd moderne archeologische reconstructies. Ze kunnen reflecteren wat uit de teksten is afgeleid, convensionele tijdsfiguren van de graveur en interpretaties van de uitgevers. Juist daarom zijn ze waardevolle documenten om te begrijpen hoe Renaissance-mensen en vroegmoderne mensen zich een antieke wereld voorstelden.

Het gedrukt beeld voert aldus twee functies uit: het representeert een voorwerp of een scène behorend tot de oude militaire traditie en, tegelijkertijd, getuigt het van de manier waarop die traditie werd geïnterpreteerd ten tijde van publicatie.

Het verhouding tussen woord en beeld is een van de meest fascinerende aspecten van het oude boek. De tekst verspreidt concepten, definities en redeneringen; de gravure maakt een fragment van de beschreven wereld zichtbaar, stimuleert waarneming en geeft concreetheid aan de lezing. Beiden dragen bij aan de opbouw van kennis die tegelijkertijd literair, technisch en historisch is.

## 7. De belegeringsmachines en het geheugen van de grote oorlogen uit de oudheid

De beelden van militaire machines en belegeringsoperaties die de geïllustreerde traditie van deze teksten begeleiden, verwijzen naar een van de meest complexe aspecten van oorlogsvoering in de oudheid: de verovering van versterkte steden.

In het Romeinse wereldbeeld vertegenwoordigde een beleg een discipline waar engineering, logistieke organisatie, kennis van het terrein en bevelvoering samenkwamen. De verovering van een stad was niet louter afhankelijk van de impuls van de soldaten, maar van het bouwen van tijdelijke werken, het inzetten van mechanische hulpmiddelen, het controleren van grondstoffen en het in stand houden van het leger over langere perioden.

Tot de bekendste episodes behoort het beleg van Alesia, geleid door Julius Caesar in 52 v.Chr. tijdens de Gallische Oorlogen. Caesar liet een geavanceerd systeem van verdedigingswerken bouwen om ontsnappingen van de belegerden te voorkomen en de aankomst van de versterkingen tegen te gaan. De gebeurtenis toont aan hoe de discipline van militair genie en het vermogen om duizenden mannen te coördineren het landschap kon omvormen tot een strategisch instrument.

Een andere fundamentele episode is de verovering van Jeruzalem door de Romeinse legers onder leiding van Titus in 70 n.Chr., tijdens de Joodse Oorlog. Het beleg culmineerde in de verbranding van de Tweede Tempel en werd een van de meest betekenisvolle gebeurtenissen in de geschiedenis van de oude wereld, herdacht ook door de afbeeldingen van Titus’ triomf op de boog in Rome.

Van bijzondere interesse is ook het beleg van Syracusan, tijdens de Tweede Punische Oorlog, toen de Romeinse machten streden tegen de verdedigingswerken van de Siciliaanse stad en tegen de door Archimedes toegewezen machines. De oude literaire traditie herinnert aan de vindingrijkheid van de Syracusan verdedigingswerken en het gebruik van apparaten die hinderden bij Romeinse zeeslag en landoperaties.

Deze gebeurtenissen helpen te begrijpen waarom belegeringstechnieken zo’n blijvende aantrekkingskracht uitoefenden op Europese lezers. Verdedigingswerken waren het raakvlak tussen wetenschap, architectuur en politiek macht. Een stad omgeven door muren was niet alleen een militair doel, maar ook een centrum van rijkdom, administratie, identiteit en collectief geheugen.

De traditie van militaire traktaten bood geleerden de mogelijkheid na te denken over deze kwesties aan de hand van voorbeelden uit het verleden, waarbij men het genie van de oude meesters vergelijkt met de eisen van hedendaagse oorlogen.

## 8. Van het keizerlijke Rome naar de Italiaanse Renaissance: de dialoog met Niccolò Machiavelli

De fortuin van Vegetius bereikte een bijzonder intense vorm in de middeleeuwen en de Renaissance, toen intellectuelen uit Europa de geschiedenis van Rome opnieuw gingen zien als een bron van politieke en militaire lessen.

Onder de protagonisten van deze ontvangst steekt Niccolò Machiavelli uit, geboren te Florence in 1469 en gestorven in 1527. Zijn beschouwing over de organisatie van legers en de relatie tussen politieke instituties en militaire macht ontwikkelde zich in een omgeving die sterk was beïnvloed door Italiaanse fragmentatie, oorlogen tussen Europese mogendheden en de interventie van buitenlandse legers op de pennen.

In de *Art of War* (Arte della guerra), gepubliceerd in 1521, behandelt Machiavelli thema’s als training van soldaten, discipline, formatie van troepen en de relatie tussen leger en politiek. Zijn reflectie vormt een dialoog met de klassieke traditie, en in het bijzonder met principes die eeuwenlang met gezag aan Vegetius waren gekoppeld.

De band tussen beide auteurs moet niet opgevat worden als een eenvoudige herhaling van oude leerstellingen. Machiavelli herwerkt de modellen uit het verleden in het licht van de politieke en militaire voorwaarden van zijn tijd, en onderstreept het belang van oorlogstroepen die verbonden zijn met de politieke gemeenschap in plaats van uitsluitend afhankelijk te zijn van huurlingen.

Het thema is bijzonder betekenisvol voor de geschiedenis van Florence. De stad kende rivaliteiten tussen families, regionale conflicten, institutionele veranderingen en de terugkeer van de Medici in 1512, na de republikeinse ervaring. In dit scenario kon reflectie over het leger niet los gezien worden van het bredere probleem van de stabiliteit van de staat.

Het commentaar van Stewechio, gepubliceerd ruim een halve eeuw na de dood van Machiavelli, getuigt van de blijvende belangstelling voor oude militaire auteurs. Zijn werk bevindt zich in een fase waarin het herstel van de klassieken niet langer uitsluitend een onderdeel van humanistische vorming was, maar ook een vorm van onderzoek naar politiek, oorlogsvoering en de organisatie van samenlevingen.

## 9. De middeleeuwse fortune van Vegetius: een tekst gelezen door koningen, geleerden en commandanten

Een van de meest buitengewone aspecten van de geschiedenis van *De re militari* is zijn vermogen om te overleven in de wereld die het heeft voortgebracht.

De tekst werd gekopieerd en bestudeerd tijdens de middeleeuwen, toen directe kennis van de Romeinse instellingen aanzienlijk veranderde. Zijn fortuin blijkt uit de overleving van honderden handschriften en fragmenten, een aantal dat aantoont hoe wijdverspreid en gewild het werk was.

De traktat heeft tussen zeer uiteenlopende omgevingen doorstaan: kloosters, hoven van vorsten, scholen, kerkelijke bibliotheken en privéverzamelingen. Niet alle lezers hadden noodzakelijkerwijs hetzelfde belang bij oorlog. Sommigen zochten informatie over de organisatie van het leger; anderen werden aangetrokken door de morele waarde toegekend aan discipline; weer anderen beschouwden het boek als een gezaghebbend getuigenis van de Romeinse beschaving.

Onder de middeleeuwse lezers van Vegetius is vooral Francesco Petrarca, de grote humanist geboren in Arezzo in 1304, van belang. De handschrifttraditie bewaart een exemplaar met teksten van Vegetius en Frontinus met bijschriften toegeschreven aan zijn leesactiviteit. Dit toont aan hoe de literatuur over de oudheid kon intreden in het intellectuele erfgoed van een auteur die een cruciale rol speelde in de herontdekking van de klassieken.

De overdracht van de tekst ging verder via vertalingen en aanpassingen in verschillende Europese talen. Zo bereikten de ideeën van Vegetius lezers buiten de kring die Latijn konden lezen en bereikten een breder deel van de middeleeuwse samenleving.

Met de uitvinding van de drukkunst kreeg de verspreiding van het traktaat een nieuwe dimensie. De eerste drukuitgaven dateren uit de jaren zeventig van de vijftiende eeuw, toen de Europese drukkunst nog in een vroeg stadium verkeerde. Het grote aantal edities vóór 1500 bewijst dat de tekst werd beschouwd als een commercieel en cultureel waardevol werk.

Drukwerk beperkte zich niet tot het vermenigvuldigen van exemplaren: het bevorderde ook meer stabiliteit van de tekst, maakte de circulatie van interpretaties eenvoudiger en droeg bij aan de vorming van een internationaal geleerdenbestand die geïnteresseerd waren in militaire geschiedenis.

## 10. Bibliografische curiosa: een volume dat ook een document van de drukcultuur is

Het frontispiece van het exemplaar heeft bijzondere belangstelling voor de geschiedenis van het boek. De formule *Ex officina Plantiniana* verwijst naar een editoriale traditie die via de naam en het drukmerk culturele en commerciële herkenbaarheid opbouwde.

In de periode van de vroege moderne tijd was het frontispice niet louter een inleidende pagina. Het was een echte identificatiekaart van de editie: het vermeldde de auteur of uitvoerder, de titel, de publicatieplaats en de drukwerkplaats. Het kon bovendien een uitgeversmerk, een dedicatie of informatie bevatten die gezag aan het volume verleende.

Het hier onderzochte boek maakt deel uit van een uitgave die in meerdere delen is opgebouwd, waarin het commentaar van Stewechio een sectie bezet met een eigen frontispice. De bibliografie van de Bibliothèque nationale de France registreert immers een verzameling gepubliceerd in Leiden tussen 1606 en 1607, bestaande uit vijf delen in één volume, met teksten van Vegetius, Frontinus en andere oude auteurs.

Deze structuur onthult een nauwgezette editorial ambitie: verschillende werken uit een enkel boek samenbrengen zodat, wanneer gelezen als één geheel, men verschillende aspecten van de Romeinse militaire en technische cultuur kon verkennen.

Een andere curiositeit betreft de figuur van de erudiete curator. Tegenwoordig zijn we gewend een duidelijke scheiding aan te brengen tussen auteur, uitgever en geleerde. In de humanistische drukwereld kon de curator echter een beslissende rol spelen in de overdracht van een oud werk, door confrontatie tussen versies, uitleg van moeilijke passages en het toevoegen van interpretatieve aantekeningen.

Het commentaar van Stewechio is een treffend voorbeeld van deze activiteit. Zijn aanwezigheid herinnert ons eraan dat het oude tot ons gekomen tekst niet alleen het resultaat is van de oorspronkelijke schrijfgeschiedenis, maar ook van eeuwen van kopiëren, bestuderen, reviseren en publiceren.

Het is echter wel gepast om de datum van de editie te scheiden van de materiële geschiedenis van het individuele exemplaar. De datum 1606, genoemd in de bibliografische catalogus, staat niet op zich voldoende vast om te bepalen wanneer het volume in een specifieke bibliotheek terechtkwam, wie het in bezit had of welke lezers het raadpleegden. Om zulke gebeurtenissen te reconstrueren zouden aanvullende elementen nodig zijn, zoals ex libris, handschriftelijke aantekeningen, bandtypen, stempels van herkomst of arkivale documenten.

Deze onderscheiding is essentieel voor elke verzamelaar: de algemene geschiedenis van een editie kan met precisie worden gedocumenteerd, terwijl de biografie van het individuele exemplaar specifieke bewijzen vereist.

## 11. De culturele impact in Europa van de zeventiende eeuw

Aan het begin van de zeventiende eeuw maakte de Europese militaire wereld een periode van diepgaande transformatie door. Het toenemende gebruik van vuurwapens, de verfijning van artillerie, de ontwikkeling van bastionverdedigingen en de groeiende complexiteit van legers veranderden de oorlogsvoering.

De aanwezigheid van een commentaar gewijd aan Vegetius in dit kader is bijzonder significant. De oudheid bleef een gemeenschappelijke taal leveren waarmee kwesties als discipline, bevel, organisatie en politieke verantwoordelijkheid konden worden besproken, ook wanneer de technologische militaire realiteit van die tijd een eenvoudige reproductie van de Romeinse modellen onmogelijk maakte.

De waarde van Vegetius lag vooral in de mogelijkheid algemene principes te identificeren. De training van soldaten, de kwaliteit van leiderschap, de kennis van het terrein en de noodzaak van efficiënte organisatie konden als blijvende kwesties worden beschouwd, zij het met verschillende oplossingen in verschillende tijdperken.

Voor geleerden bood het commentaar van Stewechio bovendien een gelegenheid om filologie en historisch onderzoek toe te passen op een onderwerp met concrete betekenis. De studie van militair Latijn, technische termen en Romeinse instituties droeg bij aan het begrijpen van niet alleen oorlog, maar ook het functioneren van bestuur en samenleving in de oudheid.

Het zou niet correct zijn te stellen dat deze specifieke editie op zichzelf de militaire doctrines van de tijd bepaalde of dat ze noodzakelijk door een specifieke bevelvoerder werd gelezen. Het belang ervan moet begrepen worden in de bredere Europese beweging van herstel, publicatie en commentaar van klassieke auteurs.

Juist de continuïteit van deze belangstelling maakt het volume historisch waardevol. Zijn publicatie getuigt van een cultuur waarin de oude kennis nog als waard om bestudeerd te worden werd beschouwd, niet omdat ze onveranderlijk was, maar omdat ze instrumenten bood om het heden te overdenken.

## 12. De verzamelwaarde en de waardigheid van het oude exemplaar

Een oud boek heeft een bijzondere aard: het is tegelijk een materieel object, een historisch document en een drager van kennis. In het geval van een erudiete editie uit het eerste zeventiende eeuw, vloeien deze drie aspecten op een opmerkelijk duidelijke manier samen.

Het papier, de typografische lay-out, de structuur van de pagina’s, eventuele illustraties en de sporen van tijd vormen getuigenissen van de materiële cultuur waarin het volume werd geproduceerd en gebruikt. Zijn ouderdom mag niet geïsoleerd worden beoordeeld: ook volledigheid, zeldzaamheid van de editie, staat van conservatie, aanwezigheid van illustratieve bijlagen en documentatie van herkomst zijn van belang.

Voor een verzamelaar betekent het bezit van een dergelijk werk het gezamenlijk aanraken van een intellectuele traditie die de Romeinse oudheid, de Europese humanisme en de geschiedenis van de drukkunst verenigt. Het boek biedt de concrete mogelijkheid om te observeren hoe kennis werd bewaard, georganiseerd en overgebracht in een tijd waarin de circulatie van ideeën nog in hoge mate afhing van bibliotheekobjecten.

De houtsneden, wanneer ze aanwezig zijn, voegen een extra niveau van belangstelling toe. Ze zijn niet louter decoratieve elementen, maar getuigen van de relatie tussen tekst en beeld, tussen theoretische kennis en visuele voorstelling. Hun interpretatie vereist aandacht voor de artistieke conventies van de tijd, de druktechnieken en de manier waarop uitgevers probeerden complexe inhoud begrijpelijk te maken.

De interesse van een oud volume ligt dus ook in de vragen die het oproept: wie raadpleegde het? Welke omgevingen hielden het in omloop? Welke andere boeken werden ernaast geplaatst? Welk beeld van de antieke wereld droeg bij aan de overdracht ervan? Het zijn vragen die lezen tot historisch onderzoek maken en die elk exemplaar potentieel uniek maken.

## 13. Conclusie: de stem van de oudheid door de eeuwen heen

Het *Commentarius ad Flavii Vegetii Renati de re militari libros* van Godescalco Stewechio vertegenwoordigt een betekenisvolle getuigenis van de lange culturele levensduur van de Romeinse oudheid. Door de figuur van Vegetius brengt het volume ons terug naar een voorstelling van oorlog waarin voorbereiding, discipline, organisatie en kennis een fundamentele betekenis hebben. Door Stewechio toont het juist de rol van eruditie van de humanist in het terugvinden en interpreteren van het erfgoed der oude.

De Plantijnse drukkerscultuur voegt aan dit verhaal een Europese dimensie toe. De publicatie van de tekst aan het begin van de zeventiende eeuw documenteert het vermogen van drukkerijen om filologische zoektocht om te zetten in een cultureel product bedoeld om te circuleren onder geleerden en lezers uit verschillende landen.

De houtsneden en de visuele apparatusen van de oude militaire traditie getuigen ten slotte van de wens om een verre wereld toegankelijk te maken via beelden die de geschreven tekst kunnen vergezellen en completeren. Ze herinneren eraan dat kennis van het verleden niet alleen via ideeën wordt doorgegeven, maar ook via de materiële vormen waarmee die ideeën worden weergegeven.

Van de Romeinse legioenen tot de middeleeuwse bibliotheken, van de Renaissance-humanisten tot de zeventiende-eeuwse drukwerkatelier, het denken van Vegetius heeft door verschillende diepe tijden heen gelopen en beschikt nog steeds over een opmerkelijk aanpassingsvermogen. Zijn succes bewijst dat een tekst kan overleven in haar tijd wanneer ze problemen behandelt die elke generatie opnieuw moet reinterpreteren.

Dit boek is dus niet enkel een getuigenis van de oude militaire cultuur. Het is ook een document van de geschiedenis van lezen, van drukkunst en van de Europese herinnering. In zijn bladzijden ontmoeten zich de Romeinse wereld, de kennisdrang van de humanisme en het vertrouwen van de vroegmoderne tijd in de mogelijkheid het huidige te begrijpen door het bestuderen van het verleden.

De kracht ervan ligt precies in deze continuïteit: het is tot ons gekomen als een materieel voorwerp uit het verleden en tegelijk als getuigenis van een intellectuele dialoog die nooit helemaal is gestopt. Elke pagina draagt het teken van een eeuwenlange overdracht; elke gravure roept een historisch imaginaire op; elk typografisch element geeft een deel van de cultuur terug die het heeft voortgebracht.

Het bezitten van een boek zoals dit betekent dus veel meer dan het bewaren van een oud militair tekst; het betekent het bewaren van een concrete getuigenis van de Europese beschaving, van haar relatie met het geheugen van Rome en van de buitengewone capaciteit van het boek om de eeuwen te trotseren en de kennis om te zetten in erfgoed.

Collassione en staat van preservatie:
Geringe staat van preservatie, vlekken en vochtschade aanwezig op verschillende pagina’s, het boek heeft een loszittende kaft die vrij is aan de voorkeur van de eigenaar. 7pp; (347pp) en daarna bevindt zich de ''Coniectanea'' fascicule vervolgens ook: 24pp genummerd en 29pp niet-genummerd index. Het boek dient gerestaureerd te worden

Verzending: express in slechts 224 uur werkuren door heel Europa, slechts 48 uur werkuren voor landen buiten de EU

GODESCHALCI STEWECHII COMMENTARIUS AD FLAVII VEGETII RENATI DE RE MILITARI LIBROS
''L’eredità dell’arte militare romana tra umanesimo, filologia e cultura europea''

Un’opera di straordinario interesse storico e bibliografico, nella quale il sapere militare dell’antica Roma viene restituito alla cultura europea attraverso la ricerca erudita, il commento filologico e la forza evocativa delle incisioni.

## 1. Een boek dat de eeuwen doorkruist

Er bestaan boeken die het geheugen van een tijdperk bewaren en boeken die, naast die herinnering, getuigen van het vermogen van menselijke kennis om de eeuwen te overstijgen, zich te transformeren en ook generaties ver verderop nog te beïnvloeden. Het hier gepresenteerde volume behoort tot deze tweede categorie: het is een belangrijke getuigenis van de wijding van de oude Romeinse militaire cultuur in Europa tussen de zestiende en zeventiende eeuw, toen het terugvinden van klassieke teksten een van de fundamenten van de humanistische cultuur vormde.

Het titelblad voert de titel *Godeschalci Stewechii Commentarius ad Flavii Vegetii Renati de re militari libros*, te vertalen als *Commentaar van Godescalco Stewechio op de boeken van Flavius Vegetius Renatus over de krijgskunde*. Het exemplaar behoort tot een editoriële traditie verbonden met de beroemde Plantijnse drukwerkplaats van Leiden, geassocieerd met de familie Raphelengius. De bibliografie van de Bibliothèque nationale de France documenteert een editie van het commentaar uit 1606, ingebed in een bredere verzameling van oude militaire geschriften die tussen 1606 en 1607 werd gepubliceerd.

Deze opmerking is belangrijk: we bevinden ons niet simpelweg voor een verhandeling over strategie, maar voor een erudiet werk dat de antieke Romeinse traditie in dialoog brengt met de intellectuele en militaire noden van het moderne Europa. De waarde ligt zowel in de oude tekst die wordt doorgegeven als in de studie, vergelijking en interpretatie die door de humanisten werden gedaan en die het terug brachten naar het hart van de Europese cultuur.

## 2. Flavius Vegetius Renatus: het militaire denken van het oude Rome

In het midden van het volume bevindt zich de figuur van Flavius Vegetius Renatus, een late antieke auteur traditioneel geplaatst tussen het einde van de vierde en de vijfde eeuw na Christus. Zijn werk, bekend als het *Epitoma rei militaris* en ook aangeduid met de titel *De re militari*, vertegenwoordigt een van de invloedrijkste teksten in de geschiedenis van de westerse oorlogsdenkers.

Vegetius schrijft in een tijd van diepe transformatie van het Romeinse Rijk. De politieke en bestuurlijke structuren die eeuwenlang de macht van Rome hadden ondersteund, ondergingen toenemende moeilijkheden; de grenzen ondervonden militaire druk en de organisatie van het leger vereiste voortdurende aanpassingen. In dit kader keek de auteur naar de Romeinse militaire traditie als een erfenis van kennis waaruit principes konden worden afgeleid die discipline, voorbereiding en organisatorisch vermogen herwinnen.

Zijn overweging beperkt zich niet tot de beschrijving van veldslagen. Integendeel, hij kent een essentiële rol toe aan training, de selectie van soldaten, fysieke paraatheid, kennis van het terrein, collectieve discipline en de voorzichtigheid van de bevelvoerder. Overwinning is, in zijn visie, niet het toevallige resultaat van individueel moedig handelen, maar het gevolg van een methodische organisatie en constante voorbereiding.

Aan dit uitgangspunt ligt een van de bekendste principes van de vegeziaanse traditie: *Si vis pacem, para bellum*, oftewel «Als je de vrede wilt, bereid de oorlog voor». De formule, in de loop der eeuwen een politiek en strategisch spreekwoord geworden, vat een opvatting samen waarin het vermogen zich te verdedigen en militaire paraatheid instrumenten van veiligheid en afschrikking vormen.

Het is echter toepasselijk te herinneren dat het traktaat van Vegetius geen direct verslag is van een individuele militaire campagne, noch een handleiding geschreven door een generaal die uitsluitend zijn eigen veldervaring beschrijft. Het is veeleer een weloverwogen synthese van de Romeinse militaire traditie, opgebouwd met didactische en hervormende doeleinden.

Zijn kracht ligt precies in deze ambitie: los van toevallige omstandigheden de principes van voorbereiding, discipline en organisatie identificeren die van generatie op generatie kunnen worden doorgegeven.

## 3. Godescalco Stewechio: de eruditie ten dienste van de geschiedenis

De tweede grote protagonist van het werk is Godescalco Stewechio, in hetLatijn Godescalcus Stewechius, een geleerde en humanist actief in de zestiende eeuw. Zijn naam is verbonden aan de herontdekking en de kritische publicatie van teksten uit de oudheid, met name van die gewijd aan de militaire geschiedenis en de Romeinse instituties.

Zijn activiteit maakt deel uit van de grote renaissance-eruditieperiode, waarin kennis van de antieke wereld niet langer uitsluitend afhankelijk was van het lezen van bewaarde teksten, maar een systematische vergelijking tussen handschriften, edities, literaire getuigenissen en historische bronnen vereiste.

De commentaar van Stewechio vervult precies deze functie: het begeleidt Vegetius’ tekst, verduidelijkt passages, bespreekt de woordkeuze en draagt bij aan de herplaatsing ervan binnen het kader van de Romeinse militaire cultuur. Het oud-duurt niet als een object van verering, maar als een erfgoed dat bevraagd, uitgelegd en opnieuw begrijpelijk gemaakt moet worden.

Deze benadering onthult een fundamenteel kenmerk van het Europees humanisme: de overtuiging dat het verleden kan worden begrepen door streng bronnenonderzoek en dat kennis van de geschiedenis een essentieel instrument is om het heden te interpreteren.

Stewechio behoort tot een generatie geleerden voor wie Latijn nog steeds een internationale taal van cultuur, diplomatie, theologie en wetenschap was. Door het Latijn konden Oudheidse werken circuleren tussen universiteiten, bibliotheken, hoven en erudiete kringen van verschillende landen, waarmee taal- en politieke grenzen werden overschreden.

Zijn commentaar vormt dus een intellectueel bruggenhoofd: enerzijds de militaire ervaring van het oude Rome, anderzijds Europa moderne, die zich inzet om de erfenis van de klassieken te begrijpen, te classificeren en te herinterpreteren.

## 4. De Plantijnse Werkplaats en het Grote Tijdperk van de Erudiete Drukkunst

De geschiedenis van dit volume is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de Europese drukkunst. Het frontispiece roept de *Officina Plantiniana Raphelengii* op, een uitdrukking die verwijst naar de typografische traditie die begon bij Christophe Plantin in Antwerpen en werd voortgezet door zijn familie en opvolgers.

Plantin was een van de belangrijkste spelers in de Europese uitgeverij van de zestiende eeuw. Zijn onderneming verwierf roem door de organisatie van het drukproces, de kwaliteit van de edities en het vermogen om werken te publiceren bestemd voor een internationaal publiek. Na zijn dood in 1589 werd de uitgeverspraktijk voortgezet door zijn nakomelingen en erfgenamen.

Franciscus Raphelengius, ook wel Frans van Ravellingen genoemd, was via het huwelijk met een van Plantins dochters aan de Plantijn-familie verbonden. Taalkundige en drukker, droeg hij bij aan de verspreiding van erudiete teksten en breuken. De Plantijnse Werkplaats van Leiden werd een belangrijk centrum van boekproductie in de context van de Verenigde Provinciën.

De aanwezigheid van de naam Raphelengius op het frontispice plaatst het volume dus in een netwerk van primair belang. De publicatie van oude militaire teksten vereiste immers vaardigheden die verder gingen dan eenvoudige typografische samenstelling: geleerden waren nodig die tekst konden verzorgen, lectuur konden vergelijken, verwijzingen konden verifiëren en een adequate interpretatieve apparatuur konden voorbereiden.

De editie van het commentaar uit 1606 valt bovendien in een cruciaal moment in de Europese geschiedenis. Het continent werd geteisterd door confessionele conflicten en dynastische rivaliteiten; de Tachtigjarige Oorlog tussen de Spaanse monarchie en de Verenigde Provinciën was nog gaande, terwijl moderne oorlogvoering stap voor stap de organisatie van legers en gevechtstechnieken veranderde.

In zo’n scenario maakte het terugvinden van de oudheid in militaire schrijfsels geen louter antiquariaat-gedoe uit. Het maakte deel uit van een bredere reflectie op de aard van oorlog, de autoriteit van bevelhebbers en de voorwaarden waaronder een staat zijn veiligheid kan waarborgen.

## 5. Een bibliotheek van oude auteurs: Vegetius, Frontinus en de Romeinse militaire traditie

Het commentaar behoort tot een bredere editoriële traditie, waarin het tekst van Vegetius wordt naastgezet naast andere oudheidsschrijvers die geïnteresseerd waren in oorlog, discipline en staatsorganisatie.

Onder hen springt Sesto Giulio Frontino uit, auteur van de *Strategemata*, een verzameling voorbeelden en militaire slinksheden toegeschreven aan Griekse en Romeinse commandanten. Frontinus, levend in de eerste eeuw na Christus, was ook een belangrijke Romeinse functionaris en auteur van de verhandeling over de aquaducten van de stad Rome.

Het naast elkaar plaatsen van Vegetius en Frontinus betekent twee complementaire perspectieven op elkaar betrekken. Vegetius legt de nadruk op de fundamenten van militaire organisatie, voorbereiding en discipline; Frontinus verzamelt eerder concrete voorbeelden van sluwheid, besluitvaardigheid en vindingrijkheid die commandanten onder moeilijke omstandigheden gebruikten.

In de strategische traditie die door deze teksten wordt opgeroepen, hangt succes niet uitsluitend af van numerieke kracht. Het gaat om de kennis van de vijand, het benutten van het terrein, de controle over communicaties, de bevoorrading, de snelheid van besluitvorming en het vermogen om de tegenstander te verrassen.

Deze visie kan gekoppeld worden aan de ervaringen van grote figuren uit de Romeinse geschiedenis. Julius Caesar benadrukte in zijn commentaren over de Gallische campagnes herhaaldelijk het belang van militaire engineering, logistiek en operationele snelheid. Scipio Africanus toonde in de oorlog tegen Carthago aan hoe beslissend strategische aanpassingsvermogen en het leren van de vijandige tactieken waren. De Romeinse overwinning in Zama in 202 v.Chr. markeerde het einde van de Tweede Punische Oorlog en de opkomst van Rome als dominante macht in de western Mediterranean.

Ook de figuur van Hannibal Barca, de grote Carthaagse commandant die de Alpen doorkruiste in 218 v.Chr., vormt een paradigmatisch voorbeeld van het belang van strategie, verrassing en verstandig gebruik van hulpbronnen. Zijn overwinning bij Canæ in 216 v.Chr. is door de eeuwen heen een casestudy gebleven over manoeuvres en omsingeling.

Deze verbindingen betekenen niet dat elk incident direct door Stewechio werd gecommentarieerd of geïllustreerd in de houtsneden van het volume. Ze dienen eerder om de historische en intellectuele wereld te verduidelijken waarin de Romeinse militaire literatuur werd gelezen, bestudeerd en geïnterpreteerd.

## 6. De houtsneden: beelden van militaire kennis en herinnering aan de oudheid

Een van de meest indringende aspecten van het volume is de aanwezigheid van houtsneden, een gravuretechniek waarbij een afbeelding uit een houten matrix wordt gegraveerd en op papier wordt overgebracht door druk.

Houtsnijden kende een lange Europese traditie en speelde een fundamentele rol in de verspreiding van kennis tijdens de Renaissance. Vergeleken met geschilderde beelden of miniaturen in manuscripten konden afdrukken uit matrices in meerdere exemplaren worden gereproduceerd en samen met de tekst worden verspreid, waardoor een breder publiek visuele representaties van voorwerpen, instrumenten, architectuur en historische taferelen kon benaderen.

In de context van een militair traktaat vervulde de afbeelding een bijzonder belangrijke functie. De krijgsgeschiedenis omvatte belegeringsmachines, verdedigingswerken, structurele defensie en operationele technieken die moeilijk te begrijpen waren enkel via verbale beschrijving. Een gegraveerde voorstelling stelde de lezer in staat ten minste enkele elementen van die wereld te visualiseren en de geschreven uitleg te koppelen aan een concrete vorm.

De houtsneden met militair onderwerp moeten echter met aandacht worden geïnterpreteerd. Ze zijn niet noodzakelijk fotorealistisch weergegeven van de Romeinse werkelijkheid en vormen niet altijd moderne archeologische reconstructies. Ze kunnen reflecteren wat uit de teksten is afgeleid, convensionele tijdsfiguren van de graveur en interpretaties van de uitgevers. Juist daarom zijn ze waardevolle documenten om te begrijpen hoe Renaissance-mensen en vroegmoderne mensen zich een antieke wereld voorstelden.

Het gedrukt beeld voert aldus twee functies uit: het representeert een voorwerp of een scène behorend tot de oude militaire traditie en, tegelijkertijd, getuigt het van de manier waarop die traditie werd geïnterpreteerd ten tijde van publicatie.

Het verhouding tussen woord en beeld is een van de meest fascinerende aspecten van het oude boek. De tekst verspreidt concepten, definities en redeneringen; de gravure maakt een fragment van de beschreven wereld zichtbaar, stimuleert waarneming en geeft concreetheid aan de lezing. Beiden dragen bij aan de opbouw van kennis die tegelijkertijd literair, technisch en historisch is.

## 7. De belegeringsmachines en het geheugen van de grote oorlogen uit de oudheid

De beelden van militaire machines en belegeringsoperaties die de geïllustreerde traditie van deze teksten begeleiden, verwijzen naar een van de meest complexe aspecten van oorlogsvoering in de oudheid: de verovering van versterkte steden.

In het Romeinse wereldbeeld vertegenwoordigde een beleg een discipline waar engineering, logistieke organisatie, kennis van het terrein en bevelvoering samenkwamen. De verovering van een stad was niet louter afhankelijk van de impuls van de soldaten, maar van het bouwen van tijdelijke werken, het inzetten van mechanische hulpmiddelen, het controleren van grondstoffen en het in stand houden van het leger over langere perioden.

Tot de bekendste episodes behoort het beleg van Alesia, geleid door Julius Caesar in 52 v.Chr. tijdens de Gallische Oorlogen. Caesar liet een geavanceerd systeem van verdedigingswerken bouwen om ontsnappingen van de belegerden te voorkomen en de aankomst van de versterkingen tegen te gaan. De gebeurtenis toont aan hoe de discipline van militair genie en het vermogen om duizenden mannen te coördineren het landschap kon omvormen tot een strategisch instrument.

Een andere fundamentele episode is de verovering van Jeruzalem door de Romeinse legers onder leiding van Titus in 70 n.Chr., tijdens de Joodse Oorlog. Het beleg culmineerde in de verbranding van de Tweede Tempel en werd een van de meest betekenisvolle gebeurtenissen in de geschiedenis van de oude wereld, herdacht ook door de afbeeldingen van Titus’ triomf op de boog in Rome.

Van bijzondere interesse is ook het beleg van Syracusan, tijdens de Tweede Punische Oorlog, toen de Romeinse machten streden tegen de verdedigingswerken van de Siciliaanse stad en tegen de door Archimedes toegewezen machines. De oude literaire traditie herinnert aan de vindingrijkheid van de Syracusan verdedigingswerken en het gebruik van apparaten die hinderden bij Romeinse zeeslag en landoperaties.

Deze gebeurtenissen helpen te begrijpen waarom belegeringstechnieken zo’n blijvende aantrekkingskracht uitoefenden op Europese lezers. Verdedigingswerken waren het raakvlak tussen wetenschap, architectuur en politiek macht. Een stad omgeven door muren was niet alleen een militair doel, maar ook een centrum van rijkdom, administratie, identiteit en collectief geheugen.

De traditie van militaire traktaten bood geleerden de mogelijkheid na te denken over deze kwesties aan de hand van voorbeelden uit het verleden, waarbij men het genie van de oude meesters vergelijkt met de eisen van hedendaagse oorlogen.

## 8. Van het keizerlijke Rome naar de Italiaanse Renaissance: de dialoog met Niccolò Machiavelli

De fortuin van Vegetius bereikte een bijzonder intense vorm in de middeleeuwen en de Renaissance, toen intellectuelen uit Europa de geschiedenis van Rome opnieuw gingen zien als een bron van politieke en militaire lessen.

Onder de protagonisten van deze ontvangst steekt Niccolò Machiavelli uit, geboren te Florence in 1469 en gestorven in 1527. Zijn beschouwing over de organisatie van legers en de relatie tussen politieke instituties en militaire macht ontwikkelde zich in een omgeving die sterk was beïnvloed door Italiaanse fragmentatie, oorlogen tussen Europese mogendheden en de interventie van buitenlandse legers op de pennen.

In de *Art of War* (Arte della guerra), gepubliceerd in 1521, behandelt Machiavelli thema’s als training van soldaten, discipline, formatie van troepen en de relatie tussen leger en politiek. Zijn reflectie vormt een dialoog met de klassieke traditie, en in het bijzonder met principes die eeuwenlang met gezag aan Vegetius waren gekoppeld.

De band tussen beide auteurs moet niet opgevat worden als een eenvoudige herhaling van oude leerstellingen. Machiavelli herwerkt de modellen uit het verleden in het licht van de politieke en militaire voorwaarden van zijn tijd, en onderstreept het belang van oorlogstroepen die verbonden zijn met de politieke gemeenschap in plaats van uitsluitend afhankelijk te zijn van huurlingen.

Het thema is bijzonder betekenisvol voor de geschiedenis van Florence. De stad kende rivaliteiten tussen families, regionale conflicten, institutionele veranderingen en de terugkeer van de Medici in 1512, na de republikeinse ervaring. In dit scenario kon reflectie over het leger niet los gezien worden van het bredere probleem van de stabiliteit van de staat.

Het commentaar van Stewechio, gepubliceerd ruim een halve eeuw na de dood van Machiavelli, getuigt van de blijvende belangstelling voor oude militaire auteurs. Zijn werk bevindt zich in een fase waarin het herstel van de klassieken niet langer uitsluitend een onderdeel van humanistische vorming was, maar ook een vorm van onderzoek naar politiek, oorlogsvoering en de organisatie van samenlevingen.

## 9. De middeleeuwse fortune van Vegetius: een tekst gelezen door koningen, geleerden en commandanten

Een van de meest buitengewone aspecten van de geschiedenis van *De re militari* is zijn vermogen om te overleven in de wereld die het heeft voortgebracht.

De tekst werd gekopieerd en bestudeerd tijdens de middeleeuwen, toen directe kennis van de Romeinse instellingen aanzienlijk veranderde. Zijn fortuin blijkt uit de overleving van honderden handschriften en fragmenten, een aantal dat aantoont hoe wijdverspreid en gewild het werk was.

De traktat heeft tussen zeer uiteenlopende omgevingen doorstaan: kloosters, hoven van vorsten, scholen, kerkelijke bibliotheken en privéverzamelingen. Niet alle lezers hadden noodzakelijkerwijs hetzelfde belang bij oorlog. Sommigen zochten informatie over de organisatie van het leger; anderen werden aangetrokken door de morele waarde toegekend aan discipline; weer anderen beschouwden het boek als een gezaghebbend getuigenis van de Romeinse beschaving.

Onder de middeleeuwse lezers van Vegetius is vooral Francesco Petrarca, de grote humanist geboren in Arezzo in 1304, van belang. De handschrifttraditie bewaart een exemplaar met teksten van Vegetius en Frontinus met bijschriften toegeschreven aan zijn leesactiviteit. Dit toont aan hoe de literatuur over de oudheid kon intreden in het intellectuele erfgoed van een auteur die een cruciale rol speelde in de herontdekking van de klassieken.

De overdracht van de tekst ging verder via vertalingen en aanpassingen in verschillende Europese talen. Zo bereikten de ideeën van Vegetius lezers buiten de kring die Latijn konden lezen en bereikten een breder deel van de middeleeuwse samenleving.

Met de uitvinding van de drukkunst kreeg de verspreiding van het traktaat een nieuwe dimensie. De eerste drukuitgaven dateren uit de jaren zeventig van de vijftiende eeuw, toen de Europese drukkunst nog in een vroeg stadium verkeerde. Het grote aantal edities vóór 1500 bewijst dat de tekst werd beschouwd als een commercieel en cultureel waardevol werk.

Drukwerk beperkte zich niet tot het vermenigvuldigen van exemplaren: het bevorderde ook meer stabiliteit van de tekst, maakte de circulatie van interpretaties eenvoudiger en droeg bij aan de vorming van een internationaal geleerdenbestand die geïnteresseerd waren in militaire geschiedenis.

## 10. Bibliografische curiosa: een volume dat ook een document van de drukcultuur is

Het frontispiece van het exemplaar heeft bijzondere belangstelling voor de geschiedenis van het boek. De formule *Ex officina Plantiniana* verwijst naar een editoriale traditie die via de naam en het drukmerk culturele en commerciële herkenbaarheid opbouwde.

In de periode van de vroege moderne tijd was het frontispice niet louter een inleidende pagina. Het was een echte identificatiekaart van de editie: het vermeldde de auteur of uitvoerder, de titel, de publicatieplaats en de drukwerkplaats. Het kon bovendien een uitgeversmerk, een dedicatie of informatie bevatten die gezag aan het volume verleende.

Het hier onderzochte boek maakt deel uit van een uitgave die in meerdere delen is opgebouwd, waarin het commentaar van Stewechio een sectie bezet met een eigen frontispice. De bibliografie van de Bibliothèque nationale de France registreert immers een verzameling gepubliceerd in Leiden tussen 1606 en 1607, bestaande uit vijf delen in één volume, met teksten van Vegetius, Frontinus en andere oude auteurs.

Deze structuur onthult een nauwgezette editorial ambitie: verschillende werken uit een enkel boek samenbrengen zodat, wanneer gelezen als één geheel, men verschillende aspecten van de Romeinse militaire en technische cultuur kon verkennen.

Een andere curiositeit betreft de figuur van de erudiete curator. Tegenwoordig zijn we gewend een duidelijke scheiding aan te brengen tussen auteur, uitgever en geleerde. In de humanistische drukwereld kon de curator echter een beslissende rol spelen in de overdracht van een oud werk, door confrontatie tussen versies, uitleg van moeilijke passages en het toevoegen van interpretatieve aantekeningen.

Het commentaar van Stewechio is een treffend voorbeeld van deze activiteit. Zijn aanwezigheid herinnert ons eraan dat het oude tot ons gekomen tekst niet alleen het resultaat is van de oorspronkelijke schrijfgeschiedenis, maar ook van eeuwen van kopiëren, bestuderen, reviseren en publiceren.

Het is echter wel gepast om de datum van de editie te scheiden van de materiële geschiedenis van het individuele exemplaar. De datum 1606, genoemd in de bibliografische catalogus, staat niet op zich voldoende vast om te bepalen wanneer het volume in een specifieke bibliotheek terechtkwam, wie het in bezit had of welke lezers het raadpleegden. Om zulke gebeurtenissen te reconstrueren zouden aanvullende elementen nodig zijn, zoals ex libris, handschriftelijke aantekeningen, bandtypen, stempels van herkomst of arkivale documenten.

Deze onderscheiding is essentieel voor elke verzamelaar: de algemene geschiedenis van een editie kan met precisie worden gedocumenteerd, terwijl de biografie van het individuele exemplaar specifieke bewijzen vereist.

## 11. De culturele impact in Europa van de zeventiende eeuw

Aan het begin van de zeventiende eeuw maakte de Europese militaire wereld een periode van diepgaande transformatie door. Het toenemende gebruik van vuurwapens, de verfijning van artillerie, de ontwikkeling van bastionverdedigingen en de groeiende complexiteit van legers veranderden de oorlogsvoering.

De aanwezigheid van een commentaar gewijd aan Vegetius in dit kader is bijzonder significant. De oudheid bleef een gemeenschappelijke taal leveren waarmee kwesties als discipline, bevel, organisatie en politieke verantwoordelijkheid konden worden besproken, ook wanneer de technologische militaire realiteit van die tijd een eenvoudige reproductie van de Romeinse modellen onmogelijk maakte.

De waarde van Vegetius lag vooral in de mogelijkheid algemene principes te identificeren. De training van soldaten, de kwaliteit van leiderschap, de kennis van het terrein en de noodzaak van efficiënte organisatie konden als blijvende kwesties worden beschouwd, zij het met verschillende oplossingen in verschillende tijdperken.

Voor geleerden bood het commentaar van Stewechio bovendien een gelegenheid om filologie en historisch onderzoek toe te passen op een onderwerp met concrete betekenis. De studie van militair Latijn, technische termen en Romeinse instituties droeg bij aan het begrijpen van niet alleen oorlog, maar ook het functioneren van bestuur en samenleving in de oudheid.

Het zou niet correct zijn te stellen dat deze specifieke editie op zichzelf de militaire doctrines van de tijd bepaalde of dat ze noodzakelijk door een specifieke bevelvoerder werd gelezen. Het belang ervan moet begrepen worden in de bredere Europese beweging van herstel, publicatie en commentaar van klassieke auteurs.

Juist de continuïteit van deze belangstelling maakt het volume historisch waardevol. Zijn publicatie getuigt van een cultuur waarin de oude kennis nog als waard om bestudeerd te worden werd beschouwd, niet omdat ze onveranderlijk was, maar omdat ze instrumenten bood om het heden te overdenken.

## 12. De verzamelwaarde en de waardigheid van het oude exemplaar

Een oud boek heeft een bijzondere aard: het is tegelijk een materieel object, een historisch document en een drager van kennis. In het geval van een erudiete editie uit het eerste zeventiende eeuw, vloeien deze drie aspecten op een opmerkelijk duidelijke manier samen.

Het papier, de typografische lay-out, de structuur van de pagina’s, eventuele illustraties en de sporen van tijd vormen getuigenissen van de materiële cultuur waarin het volume werd geproduceerd en gebruikt. Zijn ouderdom mag niet geïsoleerd worden beoordeeld: ook volledigheid, zeldzaamheid van de editie, staat van conservatie, aanwezigheid van illustratieve bijlagen en documentatie van herkomst zijn van belang.

Voor een verzamelaar betekent het bezit van een dergelijk werk het gezamenlijk aanraken van een intellectuele traditie die de Romeinse oudheid, de Europese humanisme en de geschiedenis van de drukkunst verenigt. Het boek biedt de concrete mogelijkheid om te observeren hoe kennis werd bewaard, georganiseerd en overgebracht in een tijd waarin de circulatie van ideeën nog in hoge mate afhing van bibliotheekobjecten.

De houtsneden, wanneer ze aanwezig zijn, voegen een extra niveau van belangstelling toe. Ze zijn niet louter decoratieve elementen, maar getuigen van de relatie tussen tekst en beeld, tussen theoretische kennis en visuele voorstelling. Hun interpretatie vereist aandacht voor de artistieke conventies van de tijd, de druktechnieken en de manier waarop uitgevers probeerden complexe inhoud begrijpelijk te maken.

De interesse van een oud volume ligt dus ook in de vragen die het oproept: wie raadpleegde het? Welke omgevingen hielden het in omloop? Welke andere boeken werden ernaast geplaatst? Welk beeld van de antieke wereld droeg bij aan de overdracht ervan? Het zijn vragen die lezen tot historisch onderzoek maken en die elk exemplaar potentieel uniek maken.

## 13. Conclusie: de stem van de oudheid door de eeuwen heen

Het *Commentarius ad Flavii Vegetii Renati de re militari libros* van Godescalco Stewechio vertegenwoordigt een betekenisvolle getuigenis van de lange culturele levensduur van de Romeinse oudheid. Door de figuur van Vegetius brengt het volume ons terug naar een voorstelling van oorlog waarin voorbereiding, discipline, organisatie en kennis een fundamentele betekenis hebben. Door Stewechio toont het juist de rol van eruditie van de humanist in het terugvinden en interpreteren van het erfgoed der oude.

De Plantijnse drukkerscultuur voegt aan dit verhaal een Europese dimensie toe. De publicatie van de tekst aan het begin van de zeventiende eeuw documenteert het vermogen van drukkerijen om filologische zoektocht om te zetten in een cultureel product bedoeld om te circuleren onder geleerden en lezers uit verschillende landen.

De houtsneden en de visuele apparatusen van de oude militaire traditie getuigen ten slotte van de wens om een verre wereld toegankelijk te maken via beelden die de geschreven tekst kunnen vergezellen en completeren. Ze herinneren eraan dat kennis van het verleden niet alleen via ideeën wordt doorgegeven, maar ook via de materiële vormen waarmee die ideeën worden weergegeven.

Van de Romeinse legioenen tot de middeleeuwse bibliotheken, van de Renaissance-humanisten tot de zeventiende-eeuwse drukwerkatelier, het denken van Vegetius heeft door verschillende diepe tijden heen gelopen en beschikt nog steeds over een opmerkelijk aanpassingsvermogen. Zijn succes bewijst dat een tekst kan overleven in haar tijd wanneer ze problemen behandelt die elke generatie opnieuw moet reinterpreteren.

Dit boek is dus niet enkel een getuigenis van de oude militaire cultuur. Het is ook een document van de geschiedenis van lezen, van drukkunst en van de Europese herinnering. In zijn bladzijden ontmoeten zich de Romeinse wereld, de kennisdrang van de humanisme en het vertrouwen van de vroegmoderne tijd in de mogelijkheid het huidige te begrijpen door het bestuderen van het verleden.

De kracht ervan ligt precies in deze continuïteit: het is tot ons gekomen als een materieel voorwerp uit het verleden en tegelijk als getuigenis van een intellectuele dialoog die nooit helemaal is gestopt. Elke pagina draagt het teken van een eeuwenlange overdracht; elke gravure roept een historisch imaginaire op; elk typografisch element geeft een deel van de cultuur terug die het heeft voortgebracht.

Het bezitten van een boek zoals dit betekent dus veel meer dan het bewaren van een oud militair tekst; het betekent het bewaren van een concrete getuigenis van de Europese beschaving, van haar relatie met het geheugen van Rome en van de buitengewone capaciteit van het boek om de eeuwen te trotseren en de kennis om te zetten in erfgoed.

Collassione en staat van preservatie:
Geringe staat van preservatie, vlekken en vochtschade aanwezig op verschillende pagina’s, het boek heeft een loszittende kaft die vrij is aan de voorkeur van de eigenaar. 7pp; (347pp) en daarna bevindt zich de ''Coniectanea'' fascicule vervolgens ook: 24pp genummerd en 29pp niet-genummerd index. Het boek dient gerestaureerd te worden

Verzending: express in slechts 224 uur werkuren door heel Europa, slechts 48 uur werkuren voor landen buiten de EU

Details

Aantal boeken
1
Onderwerp
Geschiedenis, Geïllustreerd, Incunabelen en vroege drukken, Jagen, schieten en vissen, Krijgsgeschiedenis, Militair, Reizen, Schepen en zeevaart
Boektitel
De Re Militari libros
Auteur/ Illustrator
G. Stewechius
Staat
Goed
Publicatiejaar oudste item
1606
Editie
Geïllustreerde druk
Taal
Latijn
Oorspronkelijke taal
Ja
Uitgever
Ex Officina Plantiniana
Band
Losgemaakt
Aantal pagina‘s.
250
Verkocht door
ItaliëGeverifieerd
10
Objecten verkocht
100%
Particulier

Vergelijkbare objecten

  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​

Voor jou in

Boeken

  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​
  • ​
    ​
    ​